NATUURPUNT ZUIDOOST LIMBURG

Discipline landschap Munsterbos

Het Demerland kan worden omschreven als een sterk versneden heuvelland, met getuigenheuvels en ruggen van het Diestiaan - dat aansluit bij de vallei van de Demer. Het deel van het Demerland net ten zuidwesten van de steilrand is het glacis van Diepenbeek. Een glacis is een zwakke glooiing van verweringsmateriaal aan de voet van een steile helling. De beken die dit glacis draineren hebben nauwelijks ingesneden dalen. De watertafel ligt er dan ook ondiep. Identiteitsbepalend voor het Demerland is een bosrijk heuvelland, parallel versneden door moerassige valleien. Talrijke natuurgebieden in de moerassige valleien behoren tot de erfgoedwaarden van het gebied. Lintbebouwing en een hoge dichtheid aan verspreide landelijke bewoning kenmerken het nederzettingspatroon.

In een vergelijkbare fysisch-genetische landschapsindeling van de Benelux (Geysels e.a., 1993) vormt de zuidwestelijke rand van het Kempens Plateau de grens tussen het ‘landschap van de puinwaaier van de Maas’ (als eenheid binnen ‘landschappen van de hoge zandgronden’) en het ‘heuvelland van vochtig Haspengouw’ (als eenheid binnen ‘landschappen van heuvels met zandleem- en leemgrond’).

De steilrand is het belangrijkste geomortologisch element uit het studiegebied. Het belang blijft bovendien niet beperkt tot het geomorfologische aspect. De steilrand is immers niet alleen een belangrijke grens betreffende geologie, pedologie en hydrologie, maar ook inzake vegetatie- en bodemgebruik. Er is een duidelijk oorzakelijk verband. Het gaat om een structureel reliëf, dat ontstaan is door differentiële erosie. De voornamelijk zandlemige gronden ten zuidwesten van de grens zijn erosiegevoeliger dan de grind- en zandgronden ten noordoosten van de grens. Als gevolg hiervan is het noordoostelijke deel - dat vroeger het laagst gelegen was — als een plateau boven de omgeving komen te liggen (reliëfsinversie). Het verschil in ondergrond en hoogteligging geven op hun beurt aanleiding tot een verschil in hydrologie, pedologie, vegetatie en bodemgebruik.

3 Landschapshistorische analyse (mesoniveau)

• Periode ijstijden tot Middeleeuwen


Na de laatste ijstijd, zowat tienduizend jaar geleden, ontwikkelde zich op de zandige en matig zure bodem van het Kempens Plateau een eikenbos — oorspronkelijk met linde en olm, later met beuk - op de drogere gedeelten en elzenbroekbos in de natte valleien.
Vanaf het Neolithicum (4500-2500 voor Christus) zijn stukken van het oorspronkelijke bos gerooid om aan landbouw te doen. De arme zandgronden van de Kempen zijn na een korte periode van akkerbouw echter volledig uitgeput. De gronden zijn daarna meestal begraasd door schapen. Landbouwers hebben voortdurend naar nieuwe gronden gezocht. Op verlaten gronden was herstel van het bos niet mogelijk. Geleidelijk verdween op het Kempens Plateau het gesloten bosareaal en evolueerde het landschap tot een open heidevlakte, in de hand gewerkt door het gebruik in de landbouw van heideplaggen, gemengd met dierlijk mest, als natuurlijke meststof. Het landbouwareaal nam toe en in de 16 eeuw was het hoogterras bijna volledig ontbost tot één groot heideveld.