NATUURPUNT ZUIDOOST LIMBURG

Discipline landschap Munsterbos

  • Kabinetskaart van Ferraris (1771-1775)

Aan de hand van de kabinetskaart van Ferraris (figuur 3.8) stellen we vast dat omstreeks 1775 het bosareaal in het projectgebied beperkt was tot enkele broekbossen in de valleien. Onnauwkeurigheden en fouten op de kabinetskaart bemoeilijken de plaatsbepaling van het projectgebied op deze kaart. Op deze kaart staat ingetekend dat Stalken (‘Stalleken’) en het kasteel van Groenendaal in dezelfde vallei gelegen zijn. De recente topografische kaart leert ons dat dit nu niet zo is en dat dit ten tijde van Ferraris ook onmogelijk zo geweest kan zijn. Op ongeveer 225 jaar kan het drainagepatroon immers niet in die mate gewijzigd zijn. Indien we ervan uitgaan dat Stalken correct is gekarteerd (in de vallei van de Bezoensbeek), dan geeft ‘PEl’ de locatie van het projectgebied aan op de kaart van Ferraris (figuur 3.8). Indien we daarentegen aannemen dat het kasteel van Groenendaal in de juiste vallei (Molenbeekvallei) is ingetekend op de kabinetskaart, dan moeten we het projectgebied meer noordelijk gaan zoeken, ongeveer ter hoogte van ‘PF2’. Maar dan zou het projectgebied gelegen zijn ten noordwesten van het gehucht Broek (‘Gebbroeck’), hetgeen niet in overeenstemming is met de recente topografische kaart. Omwille van deze fouten is het niet mogelijk het projectgebied exact te lokaliseren.
Doordat het bodemgebruikspatroon gelijkaardig is in de verschillende parallelle valleien, is het echter wel mogelijk uitspraken te doen over het bodemgebruik in en rondom het projectgebied. Zo kunnen we bijna met zekerheid zeggen dat in die periode het projectgebied met een heidevegetatie was begroeid. In de vallei ten zuiden ervan waren er vijvers en broekbossen. De talrijke vijvers zijn oorspronkelijk aangelegd als bevoorradingsbekken van watermolens (vb. Seutendaelmolen, Zangerheidemolen) en hadden een bijkomende functie als visvijver. De akkers lagen in de onmiddellijke omgeving van de dorpen. De velden werden omgeven door houtkanten of hagen, die de akkers beschermden tegen het vee en tevens brandhout en bouwmateriaal leverden. Op het Kempens Plateau ontstonden de dorpen voornamelijk op de hellingen van de beekdalen. In het projectgebied kennen o.a. Zutendaal, Stalken, Roeien, Broek en Bessemer een dergelijke locatie. Op die manier waren zowel de vochtige weilanden en/of vijvers in de vallei, als de akkers op de droge hellingen en de heidepercelen op het plateau goed bereikbaar.

  • Vandermaelen

Onder het Oostenrijkse bewind (tweede helft l8 eeuw) werd een bebossing in de Kempen doorgevoerd. Bossen met Grove den werden aangeplant. De kaart van Vandermaelen (figuur 3.9) leert ons dat er omstreeks 1850 her en der een aantal percelen bebost waren, zowel op het plateau als aan de voet ervan. Onder andere het perceel net ten noorden van het projectgebied werd bebost tussen 1775 en 1850. Het projectgebied zelf lag nog steeds in het heidelandschap.

  • Kaart 1872

In de tweede helft van de 19de eeuw kende het bosareaal geleidelijk een verdere uitbreiding ten koste van de uitgestrekte heidegronden. De heide had haar economische functie verloren, door de introductie van kunstmest en de concurrentie van goedkope Australische wol. De ‘beste’ heidegronden werden omgevormd tot akkers, de overige werden bebost. De ontginningswet, uitgevaardigd door de Belgische staat in 1847, gaf de staat het recht de woeste gronden - eigendom van de gemeenten - te verkopen, te onteigenen of te verhuren om ze winstgevend te maken. Een van de manieren om dit te verwezenlijken was het bebossen met Grove den, later ook met Corsikaanse den. Tussen 1850 en 1878 werd het projectgebied om deze redenen bebost met naaldhout (figuur 3.10). Ten westen en ten zuiden van het projectgebied is er — aan de voet van de steilrand - een grote aaneengesloten oppervlakte bebost, maar vermoedelijk eerder verbost, voornamelijk met loof hout.

Kaart 1886-1890


Rond 1890 (kaart 1886-1890, figuur 3.11) is een aanzienlijk deel omgezet naar naaldbos. Op het einde van de 19 eeuw was er ter hoogte van het studiegebied een duidelijke zonering van het bodemgebruik in een aantal NW-ZO gerichte banden (evenwijdig met de steilrand). Op het plateau was een groot aandeel van de oppervlakte in cultuur. De heiderestanten situeerden zich voornamelijk op de steilrand en het bos nam de zone ten zuidwesten ervan in. Deze zonering is doorsneden door een aantal NO-ZW georiënteerde valleien die het Kempens Plateau draineren. De gronden van deze valleien werden — waar mogelijk — gebruikt als weiland.


• Kaart 1933


Tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw werden grote delen van het Kempens Plateau, door de opkomst van de steenkoolmijnen, omgevormd tot een stedelijk industrieel landschap. In het studiegebied is de invloed hiervan relatief beperkt gebleven. De belangrijkste landschappelijke consequentie van de mijnbouwactiviteiten was er de aanleg van het Albertkanaal, in de eerste helft van de jaren ‘30 (Figuur 3.12). Net ten zuiden van het kanaal wordt een aanzienlijke oppervlakte bos omgevormd tot een kaal opgespoten terrein. De besproken zonering van het einde van de 19de eeuw is niet meer te herkennen op de topografische kaart van 1933 (Figuur 3.12). Het boscomplex ten zuidwesten van de steilrand versnipperde tussen 1890 en 1933 tot een mix van bos, akker, weide en heide. Grote delen van de resterende heide op de rand van het Kempens Plateau werden omgezet tot naaldbos (vb. ‘Roeler Hei’, ‘Gellicker Heide’) en weiland (vb. ‘Groote Heide’). De homogene bodemgebruikszones werden omgevormd tot een mozaïek met verscheiden bodemgebuik. Ook in de onmiddellijke nabijheid van het projectgebied ontstaat er een grotere verscheidenheid, met bos (in het projectgebied), weiland en akkers met bomenrijen (ten Oosten) en heide (ten noordoosten).